Familie Kats, C56 Meppen

Tijdens de leggen van de stolperstenen werd er door Barend Faddegon van de synagoge van Coevorden een bijzonder verhaal voorgelezen. We hebben het verhaal hieronder op de website geplaatst voor iedereen die het nog eens rustig wil doornemen.

 

Berend Kats is geboren op 3 september 1793 te Zweeloo. Hij huwde op 7 september 1820 te Zweeloo met Roelofje Meijers, geboren in 1796 te Sleen.

Na hun huwelijk gaan ze in Meppen wonen, wat een klein gehucht is in de gemeente Zweeloo. Daar worden acht kinderen geboren: Zusanna (1823), Meijer (1825), Salomon (1826), David (1828), Abraham (1830), Jakob (1832), Jozef (1834) en Aaltje(1834).[1]

Berend koopt in 1858 drie bijzondere dieren. In Oosterhesselen wordt in een beek, bij het verwijderen van een dam, een nest met drie otters ontdekt. Het is een bijzondere ontdekking en velen in het dorp hebben nog nooit een otter gezien. De dieren worden gevangen en verkocht aan Berend.[2] Twee dagen voor zijn verjaardag, overlijdt Berend op 1 september 1859, bijna 66 jaar oud.

Jakob, koopman in manufacturen krijgt verkering met Eva van der Veen, geboren 6 juli 1830 te Beilen. Zij is de dochter van Salomon Mozes van der Veen (1790) en Leentje Wijnberg (1793). Eva groeit op in een gezin met vier kinderen.

Jakob en Eva trouwen op 13 juni 1861 te Zweeloo en gaan inwonen bij de vader en moeder van Jacob. Het echtpaar krijgt zes kinderen, die allen te Meppen worden geboren. Benjamin wordt geboren op 9 juni 1862, Salomon op 31 maart 1864, Leentje op 10 augustus 1866, de tweeling Salomon en Rozetta op 12 februari 1871 en Meijer op 1 februari 1875.[3]

In 1864 breekt er brand uit bij de buren, waarbij drie van de vijf bewoners en veel vee om het leven komen. Door de harde noordwestenwind gaan nog zes huizen in vlammen op, waaronder het huis van de familie Kats. De bewoners hebben het huis op tijd kunnen verlaten, maar de hele inboedel en al het vee komt in de vlammen om. Gelukkig is het huis met alle roerende goederen verzekerd. De oorzaak van de brand is onbekend, maar velen denken, dat het kwade opzet is geweest.[4] Het gezin Kats blijft in Meppen wonen en waarschijnlijk wordt het ‘nieuwe’ woonhuis C 56 te Meppen.[5] C 56 ligt aan een smal straatje, waar nu één Joods gezin woont. Na verloop van tijd wordt het straatje ook wel het ‘Jodensteegje’ genoemd.[6] Salomon wordt ziek en overlijdt op 20 augustus 1865, ruim een jaar oud.

Van de jeugdjaren van de kinderen is niets bekend.

Benjamin, Salomon en Meijer worden net als hun vader koopman in manufacturen. Leentje wordt ziek en overlijdt op 15 mei 1885,18 jaar oud. Salomon, de tweelingbroer van Rozetta, overlijdt op 16 november 1889, 18 jaar oud. Beidden overlijden te Meppen. Rozetta is waarschijnlijk dienstbode en verhuist op 12 mei 1890 naar Coevorden, waar zij tot 1 december 1890 blijft en dan verhuist naar Emmen.[7] 

Benjamin is niet alleen koopman, maar ook rijkswachter te Meppen. Voor deze functie krijgt hij geen loon. Als dan de heer J. Busch, veldwachter te Zweeloo, ziek wordt en overlijdt, wordt Benjamin benoemd als tijdelijke vervanger. Ook voor deze functie krijgt hij geen loon.[8] Benjamin leert Celina Menco kennen en na verloop van tijd krijgen ze verkering. Zij is geboren op 9 mei 1860 te Enschede en is de dochter van Antony Menco, winkelier van beroep en van zijn tweede vrouw Rachel Emrik. Antony was eerder gehuwd met Betjen Muller. Twee jaar na hun huwelijk overleed zij op 10 september 1841, 20 jaar oud. Ruim vier jaar later, op 29 december 1845 hertrouwde hij te Enschede met Rachel, de moeder van Celina. Het echtpaar kreeg 8 kinderen, waarvan één kind levenloos werd geboren.[9] Celina wordt kinderjuffrouw en werkt in verschillende gezinnen, waaronder een gezin in Amsterdam.[10] Benjamin en Celina trouwen te Hengelo op 20 december 1893. Op 28 mei 1894 gaan zij in Emmen wonen, waar op 4 juli 1895 hun dochter Evalena Grietje (Lien)[11] wordt geboren. Op 26 april 1897 wordt te Beilen hun 2e dochter, Rachel Antonette geboren.

Rozetta komt in mei 1898 weer bij haar vader en moeder in Meppen wonen. Jakob wordt ziek en overlijdt op 22 november 1903 te Meppen, 71 jaar oud.[12]  In de Provinciale Drentsche en Asser courant van 27 januari 1910 staat, dat  Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe een vergunning verleent met behoud van ieders recht voor vervening[13] van sectie K nr. 1968 aan Eva van der Veen, weduwe van Jacob Kats en aan de kinderen Rozetta, Meijer en Benjamin. Tegen deze vergunning kan binnen 30 dagen bewaar worden gemaakt. Aan deze vergunning zijn ook voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden hebben te maken met de waterleiding voor ’t  Meppelerveld. Deze ligt aan de westzijde in het veld, nabij een sloot. Vervening mag daarom plaats vinden 2.5 meter vanaf de slootwal.

Voor de 80e verjaardag van Eva, wordt door haar kinderen een advertentie in de krant geplaatst.[14] Een paar weken later plaatst Eva, voor de vele bewijzen van belangstelling bij haar 80e verjaardag, een dankbetuiging in de krant.[15]

Op Koninginnedag in 1913 is er feest in Meppen. Veel inwoners van Meppen komen samen bij de feesttent en met het fanfarecorps voorop, gaat het in grote optocht naar Zweeloo en Aalden, waarna de stoet terugkeert naar Meppen. De optocht eindigt bij het huis van de familie Kats, waar het fanfarecorps de laatste paar nummers speelt.[16] 

In de vergadering van het paarden- en veefonds op 28 december 1916, wordt door het bestuur de vellen van gestorven dieren gegund aan de hoogste inschrijvers voor 1917. Voor de paardenvellen blijkt dit Meijer te zijn en de voor de koevellen is het R. Scheffer te Westerbork.[17] Veel werk doet Meijer met zijn hondenkar. Op een dag loopt zijn hond Karro weg. Meijer plaatst een advertentie in de krant in de hoop, dat iemand hem inlichtingen kan geven over de verblijfplaats van Karro.[18] Of Karro is gevonden is onbekend, maar Meijer heeft in 1940 weer een hond die hij nu Prins noemt.

Eva overlijdt op 4 april 1920 te Zweeloo, 89 jaar oud. Rozetta en Meijer blijven in het ouderlijk huis wonen. Zij verkopen vanuit huis o.a. hemden, broeken, sokken, wol, zakdoeken, naaigaren, band en corduroy broeken. Het huis waarin zij wonen heeft een lage achterdeur, waardoor  je op de deel (achterhuis) komt. Hier is het hok voor de twee geiten van Meijer en het hondenhok van Prins, die zijn kop boven het halfhoge deurtje uitsteekt en blaft wanneer er iemand op de deel komt. Via de deel kom je dan in het keukentje, waar Rozetta de scepter zwaait. Zij wordt ook wel Settien genoemd.

Meijer handelt in huiden, lompen en metalen. Met de hondenkar gaat hij langs de deuren om zijn waren aan de man te brengen. Meestal loopt hij naast de kar, maar als hij moe is gaat hij aan de zijkant op de kar zitten. Het is een rustige bedaarde man met een brommerige stem.[19] Hij draagt een pet en klompen en is precies het tegenovergestelde van Rozetta, die altijd druk in de weer is met haar handel en de huishouding. 'Zou de Jeude nog komen' is een uitdrukking die boeren nog wel eens uiten, wanneer op de boerderij een 'sikkie' is geboren. Een bokje wil men liever niet houden en ze verkopen het graag aan Meijer. Hij slacht het, waarna hij de huid op het deeltje opspant om te drogen. Het woord 'Jeude' is absoluut niet discriminerend bedoeld. Het is een bijnaam, zoals bijna iedereen een bijnaam heeft in het dorp. Wanneer er een koe dood is gegaan, wordt Meijer geroepen. De 'noodslacht' neemt hij voor zijn rekening. Een koe is een kostbaar bezit en door de snelle slacht kan het vlees nog gebruikt worden. De koeienhuid wordt door Meijer verhandeld.

De geiten van Meijer staan aan een 'stik' in de berm bij het huis. Ook hebben ze een kleine moestuin.

Uit het poeziealbum van Jantje Kuipers

Beste Jantje,

Leef lang en gelukkig
Uw ouders tot vreugd
Richt steeds uwe schreden
Op voetpad der deugd
Verhef U met gezondheid
Op rampen en smart
Verzamelt Uw bloemen
Als troost voor het hart.


Ter herinnering
Rozetta Kats.

 

 

Vrijdags haalt Meijer 'koosjer' vlees bij de Joodse slager Meiboom te Emmen. Wanneer op vrijdagavond de Sabbat begint is het werken gedaan, alles is schoon en netjes in huis. Op deze dag zijn ze afhankelijk van hun buren. Wanneer het op Sabbat koud is maakt Diene-Meu, een buurvrouw, de kachel aan en doet er af en toe een turf op. De buren Nijmeijer van de boerderij naast hen doen het ook wel eens en om beurten doen ze, wanneer het donker begint te worden, het licht aan. Bij de buren Nijmeijer wordt elke dag water gehaald, want stromend water of een put hebben Rozetta en Meijer niet. Op Sabbat wordt hun het water gebracht, wat heel gewoon is, want zo gaat het al jaren. Het buurmeisje Jantje Kuiper komt veel bij Rozetta en Meijer over de vloer. Op Sabbat mag ze ook wel eens blijven eten, maar dan moet ze gewassen zijn en met schone kleren komen. Op de tafel ligt dan een schoon wit tafellaken, waar Rozetta heel zuinig op is.[20]

Ze heeft ook een poëziealbum, waar haar familie en vriendinnen een versje in hebben geschreven en ook Rozetta schrijft er een mooi versje voor in.

Het buurjongetje Jan Euving moet voor zijn  moeder soms 3 draads sajet (wol) bij Rozetta kopen. Hij vindt het daar gezellig en mag graag een poosje in het keukentje blijven praten.[21] 

Muziek is een grote hobby van Meijer. Hij is in het bezit van een grammofoon met platen.[22] In de zomer zit hij vaak op Sjabbesmiddag buiten op zijn accordeon te spelen. De hele buurt geniet daar dan van mee.

Wanneer in mei 1940 de oorlog uitbreekt, verandert het dorpsleven niet ingrijpend. De NSB-aanhang[23]  laten Rozetta en Meijer met rust. Het zijn eenvoudige mensen die rustig leven en volledig deel uitmaken van de bevolking van Meppen.[24] Vanaf 10 januari 1941 moeten de Joodse inwoners van Nederland zich op last van Rijkscommissaris Seyss-Inquart laten registeren bij het bevolkingsregister van hun gemeente. De kosten hiervoor zijn f. 1,-.[25] Antonie Kleijn, burgermeester van de gemeente Zweeloo, geeft op 26 januari 1941 aan de bezetter door, dat er in Zweeloo twee Joodse personen wonen met vier Joodse grootouders. Op 11 maart 1941 worden Rozetta en Meijer per brief aangemeld bij het hoofd der Rijksinspectie van het bevolkingsregister te Den Haag. Voor deze aanmelding is een bedrag van f. 2,- verschuldigd. Op 13 mei 1942 worden de namen van Rozetta en Meijer doorgegeven aan de  Schutzstaffel (SS) en de Sicherheitsdienst (SD). Je zou denken, dat de namen van Rozetta en Meijer nu wel bekend zijn bij de bezetter, maar op 22 augustus 1942 worden hun namen opnieuw aan de bezetter doorgegeven.[26]

Wanneer in de nacht van 2 op 3 oktober 1942 bijna alle Joden uit Drenthe uit hun huizen worden gehaald en naar Westerbork worden gebracht, worden Rozetta en Meijer niet opgehaald. Jantje mag vanaf die tijd s' avonds niet meer naar hen toe. Haar ouders zijn bang, dat Rozetta en Meijer zullen schrikken, wanneer Jantje in de avond over het deeltje komt aanlopen. Rozetta is nog wel eens zenuwachtig en laat dat merken, maar Meijer zegt steevast: "Settien, niet zo zeuren. 't Zal wel goed komen".[27]

Op 11 november 1942 bericht de burgermeester van Zweeloo aan de Rijkscommissaris van Assen, dat er nog steeds twee Joodse mensen in Zweeloo wonen. Dit bericht wordt op 17 december 1942  doorgegeven aan de Rijsinspectie te Den Haag. Het duurt een paar maanden, maar dan krijgt buurman Euving op 8 maart 1943 de burgermeester op bezoek.[28] Hij heeft een vertrouwelijke mededeling en denkt, dat Euving daar nog wel iets mee doet. De volgende dag moeten Rozetta en Meijer naar kamp Westerbork. Buurman Euving gaat natuurlijk naar Rozetta en Meijer toe, die verslagen bij elkaar zitten en probeert hen te overtuigen om alsnog onder te duiken. Hij weet wel een geschikt onderduikadres, want zijn zoon Jacob zit daar ook ondergedoken en volgens hem ook Joden. Rozetta en Meijer willen niet, zij denken dat de Duitsers oude mensen zoals zij niets zullen aandoen. Rozetta gaat naar de buren Nijmeijer en vertelt daar het verschrikkelijke nieuws. Ook zij willen wel helpen met het vinden van een onderduikadres, maar ze durven niet.

Op 9 mei 1943 komt marechaussee van Loon met zijn motor met zijspan om Rozetta en Meijer op te halen. Rozetta gaat met een zak kleren en een karbies[29] met wat waardevolle spullen in het zijspan zitten. Wanneer ze klaar staan om te vertrekken krijgen Rozetta en Meijer nog een kans om op het allerlaatste moment toch nog te ontsnappen. Van Loon meent iets vergeten te zijn en loopt terug naar het huis waarbij hij uit het zicht verdwijnt, maar Rozetta en Meijer blijven geduldig wachten. Meijer neemt achter van Loon plaats en dan gaan ze op weg naar Westerbork.[30]

Opperwachtmeester en waarnemend groepscommandant de heer J. Dijkstra, werkzaam bij de marechaussee gewest Groningen, schrijft op 9 maart 1943 aan burgemeester Kleijn, dat de twee geiten van Meijer Kats bij zijn vertrek zijn overgenomen door buurman Harm Nijmeijer. Vervolgens schrijft hij, dat hij van Rozetta en Meijer een bedrag van f. 1.300,- heeft ontvangen en dat hij dit aan de burgermeester zal afdragen. De brief wordt ondertekend door Dijkstra en Nijmeijer.

Het huis van Rozetta en Meijer wordt na hun vertrek verzegeld en niet lang daarna ontruimd. Van de  inboedel wordt een lijst opgesteld. Het is een lange lijst met o.a. huisraad, linnengoed, kleding, elektrische lampen, landbouwgereedschappen, een Friese Staartklok en een hoeveelheid bonen en rogge. Niet lang na de ontruiming, wordt het huis weer vrij gegeven voor bewoning. De nieuwe bewoners, die er tijdelijk mogen wonen hebben hun huis verloren door een brand.[31] 

Rozetta en Meijer blijven niet lang in Westerbork. Op 17 maart 1943 gaan ze op transport naar Sobibor. In Meppen wordt een kaartje bezorgd met de woorden ‘Wij zijn op transport’. Hierna komt niets meer.[32] Op 20 maart 1943 zijn Rozetta en Meijer vermoord in Sobibor, 72 en 68 jaar oud.[33]

Drie dagen later wordt het huis van Rozetta en Meijer, door de gemeente, verkocht aan Roelof Uneken uit Eext. Op 28 maart 1943 geeft burgermeester Kleijn aan de Rijkscommissaris te Assen door, dat er geen Joodse personen meer in Zweeloo zijn.[34]

De Lippman-Rosenthal bank is een goed bekend staande Joodse bank in Amsterdam. De Duitsers misbruiken de goede naam van deze bank en openen in de Sarphatistraat te Amsterdam en in kamp Westerbork een filiaal. Voor de buitenwereld lijkt het een gewone bank, die Joden aanmoedigt om er hun geld te storten. Het geld wordt eerst op een eigen rekening gestort, maar dat gaat niet lang goed. Al gauw worden de aparte rekeningen opgeheven en het geld gestort op een verzamelrekening. Geen enkele Jood heeft toegang tot deze rekening en kan dus niet meer aan zijn geld komen. Op deze manier wordt het door de bezetter gestolen.[35]

Burgermeester Kleijn stuurt op 25 januari 1944 een pakje aan de bankiersfirma Lipmann, Rosenthal & Co. te Amsterdam met daarin de portefeuille van Meijer. In de portefeuille zit een bankbiljet van f. 1.000,- en drie biljetten van f. 100,-.  Het begeleidende briefje bevat de mededeling, dat bij de ontruiming van de woning Meppen C 56, bewoond door de Jood Meijer Kats, de bijgaande portefeuille werd aangetroffen. Dit is een andere verklaring van de herkomst van het geld van Rozetta en Meijer, dan die van opperwachtmeester J. Dijkstra.[36] Welke verklaring klopt is onduidelijk.

Benjamin en Celino zijn na de geboorte van Rachel Antoinette verhuist naar Hengelo.[37]

Evalena Grietje (1895-1942), trouwde op 18 december 1940 met weduwnaar Eduard Sanders (1886-1942), geboren te Groningen en sinds 1920 mede-eigenaar van een uitgeverij. Hij kwam uit een grote fotogravenfamilie en was zelf werkzaam als fotograaf van 1905 tot 1922. In 1912 vertrok hij van Groningen naar Utrecht.[38]

Met zijn 1e vrouw Leentje Bollegraf, kreeg hij vier dochters: Mietje (1913-1943), N.N. een meisje (1916) levenloos geboren, Alida (1919-    1942) en Evalina (1925-1942).

Mietje trouwde op 5 april 1940 met Jacob Benedictus (1913-1944), handelsreiziger van beroep. Zij kregen samen een dochter, Lea Evelien (1941-1943).

Alida trouwde op 22 augustus te Westerbork met Jozeph Kroon (1917-1942), boekhouder van beroep.

Rachel Antoinette (1897-1944) de 2e dochter van Benjamin en Celino trouwde met Jozef Stoppelman (1885-1944), fabrikant van spiegels. Zij kregen twee dochters: Frouwkje Celina (1931-1944) en Celly Judik (1933-1944).

Benjamin, 80 jaar oud en Celino, 82 jaar oud zijn met hun hele gezin vermoord in Auschwitz.[39]

Rozetta en Meijer waren lid van de Nederlands-Israëlitische Gemeente te Emmen. In de synagoge van Emmen worden zij samen met 124 andere slachtoffers, die gedeporteerd zijn in 1940-1945, herdacht op twee wit marmeren gedenkplaten. Ook in Meppen is een gedenkplaats. Ter nagedachtenis aan Rozetta en Meijer werd op vrijdag 31 juli 1998, aan het Katspad te Meppen een monument onthuld. Het monument is een metalen gedenkteken met een 7-armige kandelaar en Davidster en staat op de hoek van het Katspad/Dennekampen. Het is een initiatief van Jan Euving, de voormalige buurjongen van Rozetta en Meijer. Toen zij werden opgehaald was hij 17 jaar. Hij vertelde: ‘Ik zie ze nog gaan en ik heb ze nooit weer gezien. Dat zat mij zo dwars en ik vond het zo oneerlijk, dat ik uit eerbetoon graag wat voor ze wou doen als herinnering’. Zo ontstond er in zijn hoofd het idee van een monument. Het idee deelde hij met twee anderen, de heer A. Naber en het oude buurmeisje, mevrouw Jantje Kuiper-Nijmeijer.

De heer Euving haalde zijn inspiratie uit het hekwerk van de Joodse begraafplaats van Dalen, waar een Davidster in verwerkt zit. Ook de Menora, de 7-armige kandelaar  vond hij een mooi beeld en zo is het in zijn hoofd ontstaan. Hij tekende het monument uit en de andere twee initiatiefnemers keurden het goed.

De gemeente Zweeloo ging fuseren met de gemeente Coevorden. Vlak voor de fusie was er in de gemeente Zweeloo nog besteedbaar geld in kas, wat voor het monument is gebruikt. De heer Euving opende een bankrekening waarop een vrijwillige bijdrage voor het monument kon worden gestort. Na een artikel in ' Oes Eig'n kraantien' over het monument stroomde het geld binnen. Zelfs mensen die in de oorlog sympathie hadden voor de NSB deden mee. Een naaste familielid van de heer Euving heeft met een collega, in zijn vrije tijd, het ontwerp omgezet in een monument.

De bronzen plaat werd gegraveerd door de heer B. Bruinsma uit Meppen die een graveerbedrijf had.

Na gereedkomen van het monument zat er een rekening bij van f. 0,-. Wat nu te doen met het opgehaalde geld? De heer Euving dacht er over na en gaf degenen die het gemaakt hadden een royale tegoedbon, waar een aandenken voor kon worden gekocht. Na het betalen van een paar kleine rekeningen, was er nog veel geld over. Hij besloot het geld in bewaring te geven bij

'De lange Mopper', de belangenvereniging van Meppen. Het geld werd jarenlang gebruikt voor  onderhoud aan het monument en voor bloemen bij de herdenking op 4 mei. 

Jantje, het buurmeisje van Rozetta las bij de opening van het monument het poëziealbumversje voor dat Rozetta in haar album had geschreven.[40]

De Friese Staartklok van Rozetta en Meijer is van de Historische Vereniging Zweeloo (HVZ) en is in bruikleen gegeven aan de Stichting Synagoge Coevorden (SSC) en hangt nu in het Synagoge-museum, Kerkstraat 36 Coevorden, als eerbetoon aan Rozetta en Meijer Kats.